Wanneer kwaliteiten eigenlijk uit overleving ontstaan

Lange tijd dacht ik dat mijn kwaliteiten iets waren om trots op te zijn en natuurlijk: dat zijn ze ook. Bijvoorbeeld mijn vermogen om aan te voelen wat er in een ruimte gebeurt, mijn scherpte in het lezen van mensen, mijn zelfstandigheid en ook mijn verantwoordelijkheidsgevoel. 

Ik zag het als persoonlijkheid, als karakter en als kracht. Tot ik tijdens een opleiding iets meemaakte dat mijn kijk daarop veranderde. Ik bood me aan als participant voor een oefening. Achteraf was ik best tevreden. Ik had het gevoel dat ik goed had aangevoeld wat er gebeurde en dat ik aanwezig was geweest. Tot de begeleidsterer naar me toe kwam en iets zei wat ik niet zag aankomen.

Zij beschreef hoe zij naar mij keek terwijl ik in de oefening zat. En wat zij zag, raakte iets onverwachts. Niet omdat het negatief was maar omdat het iets blootlegde wat ik zelf nooit zo had gezien. Zij zag iemand die haar omgeving voortdurend aan het scannen was. Iemand die niet volledig kon ontspannen, ook al leek ze rustig van buiten.

Bam. Dat kwam binnen. Niet alleen voelde ik me door haar heel gezien, maar ook begreep ik ineens iets van mezelf wat altijd onder de oppervlakte was gebleven. Want ik had dat zelf nooit zo gezien. Ik zag het afstemmen als betrokkenheid, scherpte en gevoeligheid. Als iets wat me juist goed maakte in mijn werk en in contact met anderen. Maar op dat moment ontstond er een andere laag in mijn begrip. Wat als sommige van mijn sterkste kwaliteiten niet alleen uit talent zijn ontstaan? Maar ook uit iets anders? Bijvoorbeeld uit alert zijn, uit je omgeving voortdurend in de gaten houden om veilig te blijven.

Dat is een ongemakkelijke gedachte want we zijn gewend om onze sterke kanten te vieren en niet om ze te bevragen. Toch is dat precies wat hier waardevol is. Een kwaliteit kan natuurlijk echt zijn. Tegelijk kan het een oorsprong hebben die minder comfortabel is en als we die leren begrijpen, kunnen we meer begrip en compassie voor onszelf ontwikkelen.

Veel eigenschappen die we als “gewoon zo ben ik” zien, zijn ooit ontstaan in een context waarin ze nodig waren. Waarin ze hielpen om spanning te managen, om verbinding te behouden, om afwijzing te voorkomen. Of om grip te houden op wat onvoorspelbaar voelde.

Dat betekent niet dat je die kwaliteiten moet afleren, het betekent wel dat het helpend kan zijn om hun oorsprong te begrijpen. Want wanneer je alleen naar de buitenkant kijkt, blijf je vaak hetzelfde verhaal herhalen: “Ik ben gewoon zo.” Maar wanneer je ook de binnenkant gaat zien, ontstaat er iets anders: zachtheid, herkenning en ruimte. Je kunt dan beginnen te zien dat wat ooit nodig was, niet altijd meer dezelfde functie hoeft te hebben.

Dat je scherpte misschien ooit veiligheid gaf, dat je verantwoordelijkheidsgevoel misschien ooit rust bracht in chaos, dat je alertheid misschien ooit verbinding hielp bewaren. En dat diezelfde kwaliteiten je nu soms ook uitputten. Dat is niet omdat ze verkeerd zijn, maar omdat de context veranderd is. Echte groei zit daarom niet in het afwijzen van je kwaliteiten, maar in het leren herkennen waar ze vandaan komen. En in het onderzoeken: Heb ik dit nu nog nodig op dezelfde manier? Of mag het iets anders worden?

Voor mij heeft dat inzicht iets veranderd in hoe ik naar mezelf kijk. Niet met minder waardering, maar met meer begrip. En misschien is dat wel de kern. Dat we niet minder sterk hoeven te worden, maar dat we onszelf mogen gaan begrijpen voorbij alleen de kracht die zichtbaar is.