Ontspannen voelt zelden helemaal ontspannen. 

Alsof een deel van jou altijd op wacht staat. Misschien herkennen anderen je als zorgzaam, verantwoordelijk en sterk. Iemand die altijd klaarstaat voor anderen. Maar vanbinnen voelt het vaak anders. Alsof jij voortdurend de verantwoordelijkheid draagt voor hoe het met de mensen om je heen gaat. 

Als dit herkenbaar is, is de kans groot dat dit niet is ontstaan in je volwassen leven. Vaak begint dit al in de kindertijd. Een specifieke gezinsdynamiek kan ervoor zorgen dat een kind al vroeg leert dat veiligheid afhankelijk is van hoe goed het zich aanpast, oplet en voor anderen zorgt. Dat zie ik vaak bij mensen die opgroeiden met één emotioneel onvoorspelbare ouder en één ouder die zelf kwetsbaar was. 

De ene ouder kon liefdevol zijn, maar ook boos, afstandelijk of intimiderend. De andere ouder was juist depressief, ziek, angstig of emotioneel afhankelijk. Als kind kwam je daar onbewust tussenin te staan. Je leerde voortdurend de stemming van de één te peilen en tegelijkertijd de ander overeind te houden. Niet omdat iemand je dat letterlijk vroeg, maar omdat jouw zenuwstelsel leerde dat de veiligheid in huis ervan af leek te hangen. En precies daar ontstaat vaak het gevoel dat je je hele leven met je meedraagt: "Ik ben verantwoordelijk voor anderen. Pas als het met hen goed gaat, mag ik ontspannen."

De stille pijn van aanpassen

Als jij bent opgegroeid in de dynamiek van de onvoorspelbare en de kwetsbare ouder, dan is de kans groot dat je je nooit echt kind hebt kunnen voelen. Dit omdat je je voortdurend moest aanpassen. Stel je een gezin voor waarin de ene ouder emotioneel onvoorspelbaar is. Soms is die ouder liefdevol, soms afstandelijk, boos of intimiderend. Het kind weet nooit precies wat het kan verwachten. Daardoor leert het voortdurend de stemming van die ouder te lezen. Het wordt waakzaam. Alert. Altijd bezig met de vraag: Is het veilig? Wat moet ik doen om problemen te voorkomen?

De andere ouder is zelf kwetsbaar. Misschien kampt die met depressieve gevoelens, chronische ziekte, angst om verlaten te worden of een sterke afhankelijkheid van anderen. Ook die ouder heeft weinig emotionele ruimte om het kind te dragen. Het kind ziet het verdriet, de uitputting of de wanhoop en voelt aan dat deze ouder gemakkelijk kan breken.

Voor een kind is dat een onmogelijke situatie. Aan de ene kant is er angst voor de onvoorspelbare ouder. Aan de andere kant is er de angst dat de kwetsbare ouder het niet redt. Het kind leert dat het voortdurend moet opletten, bemiddelen, sussen, helpen of zichzelf wegcijferen. Niet omdat iemand letterlijk zegt: "Zorg voor mij", maar omdat het kind voelt dat de stabiliteit van het gezin ervan af lijkt te hangen.

De binnenwereld van een kind dat opgroeit in chronische emotionele onveiligheid

Een kind dat opgroeit met een emotioneel onvoorspelbare ouder en een andere ouder die zelf kwetsbaar, depressief, ziek of afhankelijk is, leert al vroeg dat de wereld niet veilig en voorspelbaar is. Niet omdat het dat begrijpt, maar omdat het dat elke dag voelt. Het zenuwstelsel leert dat gevaar altijd dichtbij kan zijn. Daarom staat het lichaam voortdurend aan. Zelfs tijdens gewone momenten blijft er een lichte spanning aanwezig. Het kind ontspant nooit helemaal, omdat het onbewust verwacht dat de sfeer ieder moment kan omslaan.

Het leert voortdurend te scannen. Hoe klinkt de stem van papa? Hoe kijkt mama? Is er spanning? Moet ik stil zijn? Moet ik helpen? Moet ik verdwijnen?

Die vragen worden geen bewuste gedachten. Ze worden een automatische manier van bestaan. Het kind leert dat zijn eigen gevoelens minder belangrijk zijn dan wat er om hem heen gebeurt. Verdriet, boosheid, angst of behoefte aan troost verdwijnen naar de achtergrond, omdat er simpelweg geen ruimte voor lijkt te zijn. Er is altijd iets urgenter. De grote onderliggende vraag is vaak dezelfde:

Hoe zorg ik ervoor dat iedereen en daarmee ikzelf veilig blijf?

Wanneer een ouder kwetsbaar is, ontstaat vaak nog iets anders.

Het kind voelt zich verantwoordelijk voor het welzijn van die ouder. Niet omdat iemand dat letterlijk zegt, maar omdat het ziet hoe verdrietig, ziek of wanhopig die ouder is. Het merkt dat de ouder oplucht wanneer het helpt, luistert of zich aanpast. Langzaam ontstaat het gevoel dat de ouder het zonder hem of haar misschien niet redt. Voor een kind voelt dat levensgroot. Want een kind kan nog niet denken: "Mama heeft haar eigen verantwoordelijkheid." Een kind denkt: "Als mama instort, raak ik haar kwijt."

Dat gevoel kan zo diep worden dat het kind voortdurend bezig is de ouder emotioneel overeind te houden. Het wordt een kleine volwassene. Het troost. Het luistert. Het maakt zich klein. Het veroorzaakt geen problemen. Het stelt geen eisen. Het probeert de sfeer goed te houden. En ondertussen leert het iets wat geen enkel kind zou moeten leren: "Mijn veiligheid hangt af van hoe goed ik voor anderen zorg." Dat heeft vaak grote gevolgen voor de ontwikkeling. Het kind leert niet dat het vanzelf waardevol is. Het leert dat liefde samen lijkt te gaan met verantwoordelijkheid.

Dat nabijheid verdiend moet worden. Dat je pas mag ontspannen als iedereen anders in orde is. Dat je eigen behoeften gevaarlijk of egoïstisch kunnen zijn. Vaak groeit zo'n kind op met een diep gevoel van eenzaamheid.
Niet per se omdat er niemand was. Maar omdat niemand werkelijk zag wat het kind allemaal droeg. Aan de buitenkant lijkt het vaak een makkelijk kind. Volwassen. Zelfstandig. Behulpzaam. Binnenin voelt het zich juist klein, gespannen en alleen.

Overtuigingen die doorwerken in je volwassen leven

Langzaam ontstaan overtuigingen die diep in het onbewuste worden opgeslagen:
Als ik niet oplet, gaat het mis.

Als ik niet help, stort iemand in.

Als iemand instort, raak ik diegene kwijt.

Mijn eigen behoeften kunnen wachten.

Anderen zijn belangrijker dan ik.

Deze overtuigingen zijn geen bewuste keuzes. Ze zijn een logische reactie op een jeugd waarin veiligheid afhankelijk leek van het gedrag van het kind zelf.

Kwaliteiten of overleving?

Zo'n kind ontwikkelt vaak kwaliteiten waar anderen later bewondering voor hebben. Het voelt feilloos aan hoe anderen zich voelen. Het is verantwoordelijk, zorgzaam, loyaal en past zich gemakkelijk aan. Het ziet problemen vaak al voordat anderen ze opmerken en probeert conflicten te voorkomen.

Maar achter die kwaliteiten schuilt vaak iets anders. Het kind heeft nooit geleerd dat het ook zelf gedragen mag worden. Het leert niet dat liefde onvoorwaardelijk kan zijn. Het leert dat verbondenheid iets is waarvoor hard gewerkt moet worden. Dat je je plek moet verdienen door behulpzaam te zijn, door sterk te blijven of door geen last te veroorzaken.

Daardoor kan het als volwassene moeite hebben om eigen gevoelens serieus te nemen. Rust kan onwennig voelen. Grenzen stellen kan schuld oproepen. Hulp vragen voelt ongemakkelijk. Het welzijn van anderen lijkt automatisch belangrijker dan het eigen welzijn.

Als dit kind volwassen wordt

Veel van deze patronen verdwijnen niet vanzelf wanneer iemand volwassen wordt. Ze veranderen alleen van vorm. De volwassene blijft vaak automatisch de stemming van anderen lezen. Voelt spanning al voordat anderen die opmerken. Past zich razendsnel aan. Voelt zich verantwoordelijk voor het geluk van anderen. Heeft moeite met ontvangen. Vindt geven vanzelfsprekend. Rust voelt soms ongemakkelijk, alsof er iets vergeten wordt. Grenzen stellen kan intense schuld oproepen. 'Nee' zeggen voelt alsof je iemand in de steek laat. Conflicten kunnen voelen als een bedreiging voor de relatie.

Wanneer iemand boos of teleurgesteld is, ontstaat automatisch de vraag:
"Wat heb ik verkeerd gedaan?" Zelfs wanneer daar geen reden voor is. Veel volwassenen uit dit soort gezinnen voelen zich aangetrokken tot mensen die hulp nodig hebben of instabiel zijn. Ze worden de luisteraar. De redder. De stabiele factor.

Niet omdat ze dat bewust kiezen, maar omdat hun zenuwstelsel zich vertrouwd voelt in een relatie waarin zij de verantwoordelijkheid dragen. Ondertussen kunnen ze moeite hebben om hun eigen behoeften überhaupt te herkennen. De vraag: "Wat wil jij?" is moeilijk te beantwoorden. Ook het lichaam blijft vaak reageren alsof het gevaar nog aanwezig is. Moeite met ontspannen. Altijd 'aan' staan. Slecht slapen. Snel schrikken. Overmatig piekeren. Chronische vermoeidheid. Spanningsklachten. Een gevoel dat er altijd iets moet gebeuren.

Veel volwassenen uit zulke gezinnen voelen zich diep verantwoordelijk voor anderen, maar ervaren tegelijkertijd moeite om zelf volledig op iemand te leunen. Ze vertrouwen eerder op zichzelf dan op een ander. Niet omdat ze geen behoefte hebben aan steun. Maar omdat ze als kind hebben geleerd dat zij degene waren die moest dragen.

Herstel

De grootste opgave in herstel is leren dat veiligheid niet langer afhankelijk is van voortdurend zorgen, aanpassen of dragen. Dat liefde niet verdiend hoeft te worden. En dat je eindelijk nieuwe ervaringen mag opdoen. Ervaringen die je als kind zo hard nodig had: dat iemand ook jou kan dragen.

Meer over de dynamiek van de onvoorspelbare en de kwetsbare ouder?

Luister gratis naar deze podcast op Spotify: 

#5: De onvoorspelbare en de kwetsbare ouder